Eindelijk de zon

 

Mijn zoon verslaapt de dag;

een dag met zon op de ruiten

Hij ging tot diep in de nacht

aan anderen zichzelf te buiten

 

Nee, dan wat ik vermag:

ik zit mijn hooikoorts uit te snuiten

Ik zit waar ik des avonds lag,

met mijn voeten hoog vanaf de kuiten

 

Het leven is loom vandaag;

lang en van verveling traag

Ik houd mijn doelen laag

Ik heb rust in mijn borst;

niet al teveel dorst,

en zachte stenen in mijn maag.

Langs de Appelboomstraat

 

Een voet is van de laars ontdaan

De andere nauwelijks zichtbaar,

al verzonken in de aarde

Of ze toebehoorden aan

een lerares of molenaar

is nu niet meer van waarde

 

De wind beweegt de blaad’ren van de haag

zoals ze dat al eeuwen deed

Gelakte nagels aan een hand;

een hoofd verdwenen in een kraag

Het hoorde hoe de jongen kreet

toen hij door vreemden werd ontmand

 

Niet lang daarvoor moest hij toezien hoe

wie hem voedde werd verslonden;

net als de wereld, en de zon

Een hond rent blaffend op mij toe

Hoe anderen nog verbergen konden,

is dat wat hier al niet meer kon

 

Ze rukken op naar het westen,

zonder doel en zonder zin

Soms achterneven, soms een verre oom

Aan weerszijden rusten resten

Ginder ligt een heel gezin;

appels bij de boom

 

Ze zeggen ‘wraak smaakt zoet’,

maar hier wacht enkel bitter in de goot;

voor nu en ook voor ooit

De straat zwart van geronnen bloed

Geziene gruwelen snel gedood,

waar regen mensenhuiden looit.